Bosman mist leermeester Cruijff

John Bosman: ‘Cruijff zit in mijn systeem. Ik was acht toen ik met mijn vader naar het Olympisch Stadion ging. Daar zag ik hem voor het eerst voetballen: ik was meteen fan. Aan het einde van zijn carrière kwam hij terug naar Ajax. Ik was toen vijftien en zag zijn rentree tegen Haarlem. Dat prachtige stiftje heb ik nog op mijn netvlies staan. Toen zag ik pas hoe goed hij was.’

Bosman maakte één jaar later zelf de overstap naar Ajax. De jeugdspeler werd gescout door topscout Jany van der Veen. ‘Die vroeg na de wedstrijd of ik naar Ajax wilde komen. Ik zat net bij een nieuwe club en had net nieuwe vriendjes, dus ik zei nee. Een jaar later stond Tonny Bruins Slot langs de zijlijn. Mijn vrienden zeiden: “Je moet het doen, het is nu of nooit.” Toen dacht ik, ik probeer het een jaartje.’ ‘Daarna kreeg ik al snel een contract.

Ik vond het heel bijzonder dat na Aad de Mos, Cruijff mijn trainer werd. Hij was toen 38 en deed vaak mee met partijtjes. Onze verdedigers probeerden hem te raken, maar zij kwamen niet eens in de buurt. Hij passeerde ze alsof ze er niet stonden.’ Maar niet alleen op de training haalde Cruijff zijn voetbalschoenen tevoorschijn. Bosman herinnert zich nog een speciaal moment in de voorbereiding van het seizoen 1984/1985: ‘Het was zijn eerste jaar als coach van Ajax. We speelden een oefenwedstrijd tegen de amateurs, toen we één man te weinig bleken te hebben. Cruijff trok een shirtje aan en kwam in het veld. Stond ik in de spits met Cruijff achter mij op nummer 10. “Geef maar aan waar je ‘m wil hebben,” zei hij. Daarna zette hij me drie keer alleen voor de keeper. Drie keer met buitenkant rechts. Ik baalde als een stekker dat ik niet scoorde. Maar ik kan wel zeggen dat ik een half uur samen met Cruijff heb gespeeld.’


Militaire dienst

Cruijff eiste veel van zijn spelers, die in veel gevallen nog werkzaamheden buiten het voetbal hadden. ‘Ik weet nog goed dat ik hem moest vertellen dat ik niet kon komen trainen, omdat ik militaire dienst had, in de Sarphatistraat in Amsterdam. Ik belde Johan met knikkende knieën op: ik kan niet trainen, want ik moet afwassen. “Dat heb je lekker geregeld,” zei hij. “Je moet zorgen dat je altijd kan trainen, want voetbal is het belangrijkste.” Johan wilde dat je 24 uur per dag bezig was met voetbal.’

‘Johan was meer van de harde hand dan van een schouderklopje. Daar kan ik me er maar twee van herinneren, in tweeëneenhalf jaar tijd. Hij stond onder druk bij de club, toen ik in de laatste minuut de 2-1 scoorde tegen FC Groningen. Hij wachtte mij op in de catacomben van De Meer en zei: “Mooie goal en goed gespeeld.” Oh, huh? Dat was ik niet gewend. Een compliment van Cruijff was veel waard.’ ‘Johan zei vaak dat ik ‘scherp’ moest zijn. Hij pakte je altijd hard aan. Je wilde dat hij een keer iets positiefs zei, maar achteraf snap ik wel dat het zijn manier was om mij beter te maken. Dat is hem gelukt.’


GEDACHTEGOED

‘Ik ben wel anders dan Cruijff. Ik ben natuurlijk individueel trainer van de jeugd, dus ik hoef niet iedereen telkens op zijn donder te geven. En ik vind dat je af en toe best complimentjes mag geven. Dat aardige zit nu eenmaal in mijn karakter. Daardoor zal ik ook nooit een topcoach worden. Daarvoor moet je harder zijn. Maar ik heb ook nooit die ambitie gehad. Ik geef trainingen en houd mij bezig met scouting; wedstrijden en spelers bekijken, daar geniet ik van.'

‘Als het over Cruijff gaat, heb ik het gevoel dat hij nog leeft. Er wordt nog veel over hem gesproken en zijn gedachtegoed wordt nog steeds gedeeld. Hij heeft écht wat achtergelaten. Hij is de man van de Cruyff Foundation, van Amsterdam, van Ajax, en nu ook van de Johan Cruijff ArenA. Hij leeft altijd voort. En toch blijf ik hem missen’.